EG-verordening inzake rechtsmacht in burgerlijke zaken
Verschenen in Computerrecht 2000-2, p. 113-115

M.M.M. van Eechoud


 
Het internationaal privaatrecht is vanouds niet een rechtsgebied waarvoor in de IE- en IT-sector buitensporig veel aandacht bestaat. De laatste tijd verandert dat, voornamelijk omdat de opkomst van internet en elektronische handel de vraag opwerpt of bestaande regels over de rechtsmacht van de rechter en het toepasseijk recht in internationale gevallen wel geschikt zijn voor ‘cyberspace’. De discussie rond de betekenis van de aanstaande richtlijn elektronische handel voor het bestaande ipr kwam m.n. in Computerrecht 1999-3 al aan de orde.

Recentelijk is er een uitbarsting van regelgevende activiteit op het gebied van internationaal privaatrecht, in Nederland en daarbuiten. Niet al die activiteit houdt direct verband met elektronische handel of informatiemaatschappij; een aanzienlijk deel betreft personen- en familierecht en ondernemingsrecht.[1]  Wel van groot belang voor de informatie-industrie zijn de aanstaande herziening van het Verdrag van Rome 1980 (EOV), i.e. het Europees verdrag inzake het toepasselijk recht op overeenkomsten, en -dichterbij in de tijd- de uniformering van het recht toepasselijk op onrechtmatige daad en andere niet-contractuele aansprakelijkheid. Op het laatste gebied wordt reeds begin 2000 een voorstel voor een EG-verordening verwacht; bij de Tweede Kamer is over dezelfde materie een wetsvoorstel aanhangig.[2]

Ook op het terrein van internationale rechtsmacht buitelen de initiatieven over elkaar heen. Op Europees niveau is de herziening van algemene bevoegdheidsregels in volle gang (o.m. voorstel jurisdictieverordening),[3] de herziening van het Wetboek van rechtsvordering leidt naar het zich laat aanzien in Nederland binnenkort tot een heuse afdeling over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter (eerste titel, eerste afdeling Wetboek van Rv).[4]  De Haagse conferentie voor internationaal privaatrecht tenslotte, werkt gestaag voort aan een ontwerp-verdrag inzake jurisdictie en executie van rechterlijke beslissingen in burgerlijke en handelszaken, waarover in het najaar van 2000 een diplomatieke conferentie plaatsvindt.[5] Gezien de aard van deze rubriek beperk ik me tot bespreking van enkele onderdelen van het voorstel voor een jurisdictieverordening.

Internationaal privaatrecht en de Europese Unie

Het ipr wordt vanuit Europeesrechtelijk perspectief gerekend tot het gebied van justitie en binnenlandse zaken. Vóór Maastricht werd alleen de erkenning en executie van gerechtelijke uitspraken genoemd als zaak voor gemeenschappelijk overleg (art. 200 EG oud, 293 huidig). De belangrijkste regeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter is te vinden in het (mede) op grond van art. 293 gesloten EEX-verdrag. In 1968 sloten de toenmalige EG-lidstaten in Brussel dit verdrag inzake de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken; latere lidstaten zijn ook toegetreden. Het EEX heeft voor de EVA-landen een vrijwel identieke evenknie in het Verdrag van Lugano uit 1988 (EVEX). Eind 1997 is begonnen aan de herziening van beide verdragen.

Het ipr kreeg een plaats in de derde peiler met het EU-Verdrag, toen ‘ontwikkeling van een nauwe samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken’ een doelstelling van de EU werd (art. B EU), en de ‘justitiële samenwerking in burgerlijke zaken’ (art. K.1 sub 4, na wijziging art. 29 EU) uitdrukkelijk genoemd werd als aangelegenheid van gemeenschappelijk belang. Sinds Amsterdam is ipr een ‘eerste-peiler’-zaak, door de overheveling van de bepalingen inzake samenwerking in civiele zaken naar titel IV van het EG-Verdrag over het vrije verkeer van personen.

Voor zover de goede werking van de interne markt dat vereist, dient de Europese wetgever maatregelen te nemen die het ipr van de lidstaten met elkaar in overeenstemming brengen (art. 61 sub c juncto art. 65 EG). Deze maatregelen laten overigens de toepassing van grondwettelijke bepalingen inzake de pers- en uitingsvrijheid door lidstaten onverlet (verklaring 20 Verdrag van Amsterdam inz. art. 73M).

Ontwerp Jurisdictie-verordening

De Commissie heeft niet op zich laten wachten: op 1 mei 1999 trad het Verdrag van Amsterdam in werking, begin juli kwam de Commissie met een ontwerp-voorstel voor een jurisdictie-verordening, welk ontwerp in grote trekken de in het kader van de herziening van het EEX en EVEX gedane voorstellen volgde. De strekking van het voorstel is omzetting van de regels van het EEX in een verordening, onder gelijktijdige ‘modernisering’van de bevoegdheids- en executieregelingen in verband met onder meer een betere bescherming van de consument, ook gezien de toenemende elektronische handel.

De bevoegdheidsregels moeten volgens de Commissie rechtszekerheid bieden aan burger en bedrijf, ze moeten helder en in alle lidstaten gelijk zijn. Reden om de lidstaten elke bewegingsruimte te ontnemen en uniformering van het formele ipr te bewerkstelligen via een verordening in plaats van een richtlijn. Regelgeving op ipr-gebied is overigens (nog) niet onderworpen aan de co-decisieprocedure, pas na 1 mei 2004 hoeft de Raad te besluiten of en in hoeverre verdere ipr-regelgeving volgens de procedure van art. 251 EG tot stand komt (art. 67 EG). Het definitieve voorstel van de Commissie is in september 1999 al ingediend, maar pas eind december 1999 gepubliceerd (zie noot 2).

Het toepassingsgebied van de verordening is gelijk aan die van het EEX: de verordening geeft regels voor de rechtsmacht in alle burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht waarvoor deze zaken zich afspelen (m.u.v. bepaalde personen- en familierechtelijke onderwerpen, faillissementen, sociale zekerheid en arbitrage). Ook de opbouw van het bevoegdheids-hoofdstuk van het EEX wordt gevolgd. Eerst komt de hoofdregel (art. 2), i.e. het gerecht van de woonplaats van verweerder is bevoegd; dan bijzondere, alternatieve bevoegdheidsregels voor o.m. overeenkomsten en onrechtmatige daad (art. 5-7). Vervolgens stelt de verordening regels ter bescherming van respectievelijk de verzekeringnemer (art. 8-14) en de consument (art. 15-17). De in het EEX nog verspreide bepalingen inzake de individuele arbeidsovereenkomst zijn in de verordening samengebracht in afdeling 5 (art. 18-21).
Daarna volgt weer conform het EEX een artikel inzake exclusieve rechtsmacht (o.m. inzake bepaalde rechten op onroerende zaken, inschrijving en geldigheid van octrooien, merken en modellen; art. 22). Partijen zijn en blijven vrij bij overeenkomst een forumkeuze te doen, waarmee ze gelijk de aangewezen rechter(s) exclusief bevoegd maken, tenzij anders is overeengekomen (art. 23). De keuze kan echter niet de dwingende rechtsmacht van art. 22 opzij zetten, noch de beschermende bepalingen ten faveure van consumenten en verzekeringnemer.

Een kleine door e-commerce geïnspireerde wijziging is dat op grond van verordening de forumkeuze-overeenkomst niet langer schriftelijk op papier, of mondeling met papieren bevestiging, gedaan moet worden.[6] Ook de de ‘elektronische mededeling waardoor de overeenkomst duurzaam geregistreerd wordt’ geldt voortaan als schriftelijk (art. 23).

De belangrijkste wijziging ten opzichte van het EEX betreft echter consumentencontracten. De bescherming voor consumenten bestaat daarin dat die de wederpartij voor zowel de rechter van diens vestigings/woonplaats kan dagen, als voor de rechter van eigen woonplaats. De wederpartij kan -behoudens beperkte rechtskeuze- de consument alleen dagen voor de rechter van diens woonplaats. Dat is zo geregeld voor koop en koop op afbetaling van roerende zaken en daarmee samenhangende kredietovereenkomsten (art. 13 lid 1 en 2 EEX).
Onder het EEX geldt deze bescherming voor andere consumentenovereenkomsten, men denke met name aan de levering van diensten, echter alleen (a) als de sluiting van de overeenkomst is voorafgegaan door een voorstel (offerte bijv.) of reclame in de staat waar de consument woont en (b) de consument daar ook de voor sluiting van de overeenkomst noodzakelijke handelingen heeft verricht. Die laatste voorwaarde vervalt in de verordening om bedrijven die consumenten ‘over de grens’ lokken de wind uit de zeilen te nemen (de welbekende busdagtochtjes naar Düsseldorf bijvoorbeeld).

Het is twijfelachtig onder welke omstandigheden het doen van aanbiedingen of maken van andere reclame op een web site onder voorwaarde (a) begrepen kan worden. De ontwerp-verordening vervangt deze voorwaarde dan ook door de eis dat de (professionele) wederpartij van de consument zijn activiteiten ontplooit in de staat waar de consument woont, of zijn activiteiten waarop de overeenkomst betrekking heeft (mede) richt op die lidstaat (art. 15 lid 3).

Het resultaat is dat niet alleen de consument die via internet (papieren) boeken koopt, maar ook degene die tegen betaling muziekfiles of software download, of een hotel boekt, bij een geschil de wederpartij in principe voor de rechter van zijn eigen woonplaats kan dagen. Dit in tegenstelling tot de hoofdregel van art. 2 ontwerp-verordening (dagen in woonplaats verweerder). De e-commerce ‘industrie’ is dan ook al te hoop gelopen tegen deze bepaling,[7] uit angst dat men om te voorkomen dat men her en der in de lidstaten voor de rechter gedaagd wordt door ontevreden consumenten, op websites e.d. moet gaan aangeven tot welke staten de mededelingen niet gericht zijn; of rekening moet houden bevoegde rechters in plaatsen anders dan de eigen ‘woonplaats’. Het vervallen van heel art. 15 garandeert overigens geenszins dat een bedrijf niet voor de rechter van de woonplaats van de consument gedaagd kan worden, o.m. omdat art. 5 (cf. ook EEX) regelt dat ook de rechter van de plaats waar een verbintenis moet (of had moeten worden) uitgevoerd, d.w.z. waar bijv. een roerende zaak of dienst moet worden geleverd, rechtsmacht heeft.

De Commissie toonde zich afgelopen zomer bewust van de bezwaren van de elektronische industrie, maar art. 15 lid 3 staat nog steeds. Ook van de kant van de ontwerp-richtlijn inzake de elektronische handel is geen soulaas te verwachten: de Raad heeft inmiddels op 7 december 1999 een gemeenschappelijk standpunt ingenomen over die richtlijn (zie Dossier E-Commerce in Computerrecht 1999-3), waarbij het land-van-oorsprong beginsel cf. het voorstel niet van toepassing wordt geacht op consumentenovereenkomsten.

 

 


Noten:

1  Recente ipr-wetgeving in Nederland is onder meer de Wet conflictenrecht corporaties (Stb. 1997, 699), Wet conflictenrecht erfopvolging (Stb. 1996, 457), Wet conflictenrecht trusts (Stb. 1995, 508)  (verkrijgbaar via http://www.overheid.nl/op/).
2  Wetsvoorstel Conflictenrecht onrechtmatige daad, Kamerstukken II 1998/99, 26 608 (verkrijgbaar via http://www.overheid.nl/op/).
3  Voorstel voor een verordening(EG) van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, 7.9.1999, PbEG C376/E/1 d.d. 28.12.1999.
4  Wetsvoorstel Herziening procesrecht voor burgerlijke zaken, Kamerstukken II 1999-2000, nr. 1-3  (verkrijgbaar via http://www.overheid.nl/op/).
5  Preliminary draft convention on Jurisdiction and Foreign Judgments in Civil and Commercial Matters, voorstel van de Hague Conference on Private International Law d.d. 30.10.1999 (http://www.hcch.net/e/conventions/draft36e.html).
6  Er waren overigens al uitzonderingen op dit vormvoorschrift, o.m. inzake handelsgebruiken.
7  Zie o.m. de position papers ingediend voor de hoorzitting van de Europese Commissie inz. ‘Electronic Commerce: Jurisdiction and het Applicable Law’ op 4-5 november 1999 in Brussel (http://europa.eu.int/comm/justice_home/events/index_en.htm).


Geplaatst 06.11.2000