Dr A.C.M. Goeman   Hans Bennis
HET GOEMANS Toespraak bij het officiële afscheid van Ton Goeman

Meertens Instituut, 2 juni 2006

Beste Ton, beste Gerrie, geachte aanwezigen,

In de periode dat ik aan de Universiteit Leiden nog jaarlijks eerstejaarscolleges psycholinguistiek verzorgde, vertelde ik mijn studenten graag over het cohortmodel. Het gaat om een model voor woordherkenning. Hoe snel zijn wij in staat om een gesproken woord te herkennen? Daarvoor hebben psycholinguisten testen ontwikkeld die de reactietijd meten in milliseconden, de zogenaamde lexicale decisietaak. Zodra proefpersonen een woord herkennen, drukken ze op een knop. Mijn studenten noemden deze taak meestal de komkommerproef. Het woord komkommer wordt vaak als voorbeeld gebruikt omdat het discriminatiepunt bij komkommer vrij vooraan ligt, nl. op het vierde foneem. Na komk kan er in het Nederlands geen ander woord volgen dan komkommer. Proefpersonen zijn bij woordherkenning gevoelig voor dit discriminatiepunt en ze drukken dus direct na komk de knop in. Met andere woorden, het ommer-deel is voor de herkenning overbodig en zou dus kunnen worden weggelaten. In ieder geval is ommer voorspelbaar op het moment dat men komk heeft gehoord.

Voordat ik duidelijk maak waar deze introductie op slaat, wil ik eerst een bijzondere variëteit van het Nederlands met U bespreken. Het gaat om een variëteit die zeer bekend is binnen het Meertens Instituut, maar die nog nooit serieus is beschreven, laat staan bestudeerd. Het betreft het Goemans, en dan vooral in het huidige, synchronistische tijdperk op het Meertens Instituut, het modern-Goemans. Voor zover mij bekend is er slechts één spreker van deze taalvariëteit, en dat is onze held van vandaag.

De eerste opvallende karakteristiek staat, geformuleerd als een Griceaans maxime, in (1).

(1) Maak zinnen geheel af

Het Goemans volgt deze maxime rücksichtloos. Ook als de zin wordt onderbroken door een zin van een ander, een overvliegende Boeing of een lichamelijk ongemak van het type nies of hoest, de spreker vervolgt onverstoorbaar en hardnekkig intonerend zijn zin tot de laatste snik. De voor zover bekend enige spreker van het Goemans paart (1) aan de neiging om ook veel zinnen te produceren, met als gevolg dat het Goemans bekend staat als een anti-minimalistisch idiolect. Veel zinnen en die dan ook nog allemaal uitspreken geeft de indruk dat veel omhaal van woorden nodig is om iets uit te drukken, meer dan bij andere dialecten of idiolecten van het Nederlands. Dat de spreker van het Goemans zich niet bekeerd heeft tot het minimalistische grammaticamodel is dan ook niet echt opzienbarend. Hoe kan hij er in geloven dat economie-principes een rol spelen in taal?

Een tweede eigenschap van het Goemans formuleren we in (2).

(2) Gebruik zo veel mogelijk moeilijke woorden en uitdrukkingen

Hoewel deze eigenschap ook voorkomt in andere variëteiten van het Nederlands vooral bij mensen die intellectueel willen worden gevonden wordt deze eigenschap nogal eens aangetroffen kent het Goemans een eigen karakter. Vooral nadat de spreker van het Goemans enige tijd in het Duitse Marburg is geweest tijdens een sabbatical leave heeft het Goemans eigenschappen van taalcontact verworven. De moeilijke woorden zijn bij voorkeur Duitse moeilijke woorden. In een land waar Duitsland en het Duits niet bijzonder hoog in aanzien staan, gaat het dus niet echt om een prestigeuze of intellectualistische variëteit. Wat beoogt de spreker dan met het gebruik van dit register?

De derde eigenschap die ik hier wil bespreken, is tegelijkertijd ook de meest bijzondere. Naast (1) kent het Goemans de vergelijkbare eigenschap (3).

(3) Maak andermans zinnen af

Het gaat hier niet in de eerste plaats om het aanvullen van zinnen die door slordige sprekers onafgemaakt worden gelaten, maar vooral om het meemompelen van het laatste deel van de zin. Een voorbeeld van zo'n meemompeling vinden we in (4).

(4)a. Spreker Goemans:Heb je dat al gedaan?
b. Spreker Nederlands:Daar ben ik nog nietaan toegekomen
c. Spreker Goemans:...aan toegekomen

Het opvallende is dat (4c) tegelijkertijd wordt uitgesproken met het equivalente deel van (4b), zodat de participanten aan deze verbale interactie in koor spreken.

Om te begrijpen wat voor eigenschap (3) is, is het belangrijk om vast te stellen in welke zinnen het verschijnsel plaats heeft en op welk moment de spreker van het Goemans zijn meemompeling begint. Bij empirisch onderzoek blijkt dat er een aantal significante generalisaties te maken zijn.

Ten aanzien van de vraag in welke zinnen het verschijnsel zich voordoet, kunnen we vaststellen dat: - het duidelijk vaker voorkomt in bijzinnen dan in hoofdzinnen; - het in hoofdzinnen meer voorkomt in zinnen met een hulpwerkwoord dan in zinnen met alleen een hoofdwerkwoord of een koppelwerkwoord; - in bijzinnen de aanwezigheid van een hulpwerkwoord geen verschil maakt.

Ten aanzien van de vraag op welk moment de meemompeling wordt ingezet, stellen we vast dat: - werkwoorden in finale positie veel worden meegemompeld; - partikels en gestrande voorzetsels met werkwoorden meedoen; - het object vrijwel nooit wordt meegemompeld, tenzij het gaat om een vaste uitdrukking; - het subject en bepalingen nooit worden meegemompeld.

Hier aangekomen kunnen we terugkomen op het aan het begin genoemde cohortmodel. Het lijkt er op dat vanuit psycholinguistisch perspectief het Goemans de bijzondere eigenschap heeft dat het cohortmodel wordt toepast op zinnen: op het moment dat het duidelijk is hoe de zin van de spreker van het Nederlands zal aflopen - het discriminatiepunt - zal de spreker van het Goemans zijn meemompeling inzetten. We noemen dit het syntactische cohortmodel of ook wel, het Goemanmodel, naar de spreker van deze enigszins bizarre taalvariëteit.

Maar waarom vertoont het Goemans deze drie karakteristieken en hebben ze iets met elkaar te maken? Het antwoord op deze vragen kunnen we niet vinden in een al dan niet universeel taalsysteem. De kwantitatieve taalkunde helpt ons niet uit de brand. De socio- of psycholinguistiek staan voor een raadsel. Maar gelukkig is er ook nog de cognitieve taalkunde. Weliswaar is dat een wat zwakke en min of meer zielige variant van een theorie over taal, maar nu komt ze ons goed van pas. De spreker van het Goemans heeft overduidelijk de cognitieve eigenschap dat mentale processen volledig en tot in detail worden gerealiseerd. Dat manifesteert zich aan de ene kant in een hoge graad van perfectionisme en gedetaileerdheid. Het is niet voor niets dat de dissertatie van Goeman pas op zijn 56ste jaar verscheen en dat dit boek 533 pagina's kent. Ook is de eerste aflevering van de MAND ruim 25 jaar na aanvang van het GTP-project verschenen. Aan de andere kant komt deze eigenschap tot uiting in het Goemans. De spreker van het Goemans kan niet tegen onafgemaakte zinnen, van zichzelf niet, maar ook van anderen niet. Mocht de ander besluiten vanwege het bereiken van het discriminatiepunt om zijn zinsproductie te staken, dan is er nog de Goemans-spreker om de gestaakte zin af te ronden. Deze redenering verantwoordt de maximes (1) en (3).

Maar hoe zit het dan met maxime (2)? Ook het gebruik van moeilijke woorden valt binnen dit kader. Gegeven het feit dat de spreker van het Goemans zijn zinnen altijd afmaakt, heeft hij of zij er geen behoefte aan dat een ander hem/haar daarbij helpt om zinnen af te maken. Het is zelfs enigszins irritant dat anderen niet weten dat maxime (1) tot het Goemans behoort. Om de ander in verwarring te brengen, gebruikt hij/zij zoveel moeilijke woorden dat de ander niet meer in staat is om zijn/haar zin te voltooien. Deze ander is nog aan het denken over wat al die rare woorden betekenen als de Goeman spreker reeds ongestoord het einde van zijn zin heeft bereikt. Op deze manier zijn de maximes (1)-(3) het gevolg van dezelfde onderliggende maxime, die in (5).

(5) Wees zo volledig mogelijk

Dat Ton dit maximalistische principe hanteert in een tijd waarin het minimalistische systeem in de mode is, zouden we kunnen zien als een paradox die geleid heeft tot zijn vervroegde vertrek.

Beste Ton, na deze oratio de dicto wordt het tijd voor een laudatio de re. Jouw afscheid van het Meertens Instituut betekent ook het afscheid van een generatie. Jij bent de laatste taalkundige uit de 'Voskuil-periode' van het instituut. Nadat in de afgelopen periode mensen als Joep Kruijsen en Har Brok vertrokken zijn, betekent dat dat veel kennis over de meer traditionele dialectologie en de geschiedenis van de taalkunde op het instituut verloren gaat. Hoewel dat natuurlijk uiteindelijk onvermijdelijk is, betreur ik dit zeer. Temeer omdat deze kennis in jouw persoon gepaard gaat met een grote interesse in de moderne richtingen in de taalkunde. De laatste tijd heb jij - in overeenstemming met (5) - nog veel gerealiseerd. Je bent in 1999 gepromoveerd, hebt in 2005 het eerste deel van de Morfologische Atlas van de Nederlandse Dialecten gerealiseerd en hebt in 2006 een aantal maanden in Marburg doorgebracht met een sabbatical leave. Het is daarom jammer dat een zo produktief en internationaal gewaardeerd onderzoeker verdwijnt. Vooral ook omdat je me verteld hebt dat de laatste periode voor jou ook de leukste periode op het instituut is geweest. Een mens moet afscheid nemen op zijn hoogtepunt, maar het blijft moeilijk om te voorspellen waar dat hoogtepunt ligt, zelfs voor een ervaren bergbeklimmer.

Bovendien verdwijnt met jou ook een zeer loyale medewerker die zich altijd heeft willen inzetten voor het instituut, althans in de periode waar ik enig zicht op heb. Hoewel het overduidelijk was dat besturen niet jouw grootste liefhebberij is, heb jij je daar toch enorm voor ingezet. Toen ik hier in 1998 werd aangesteld, zat jij in het 'interim management team' dat het stadhouderloze tijdperk probeerde te overbruggen. Het was zeker geen simpele opgave om in deze roerige periode deel uit te maken van de leiding van het instituut. In deze beginperiode heb ik heel veel gehad aan de zeer collegiale opstelling van jou. Het interim MT had net lekker de touwtjes in handen toen ik als een olifant door de magazijnkast kwam paraderen. Niet alle MT-leden waren er blij mee dat hun positie veranderde door mijn komst. In feite ben jij het enige MT-lid geweest dat mij in de eerste periode voortdurend loyaal heeft gesteund en ben jij nu de laatste van het illustere driemanschap die van het instituut afscheid neemt. Ik ben daarom jou veel dank verschuldigd.

Gelukkig verdwijn jij nog niet echt. Een Goeman kan natuurlijk niet weg zonder zijn werk afgerond te hebben (zie ook (5) hierboven). En er ligt nog een hele stapel, want de MAND moet nog een tweede deel krijgen. Ik ben er blij om dat je hier nog een tijd zult blijven komen en je bereid bent om de morfologische atlas af te ronden. Zelf heb ik er niet zo'n probleem mee om af en toe onvolledig te zijn, maar waar ik absoluut niet tegen kan is half werk. En dat is nu precies het stadium waar de atlas in is beland. Ik zal dus ook niet mijn toespraak afsluiten met "Vaarwel, het ga je goed", maar met "Tot ziens" en dat hoop ik nog lange tijd te kunnen zeggen.


2 juni 2006 print versie inhoud
|